In dit blogbericht onderzoeken we de structurele achtergrond van de evolutie van de uitvoerende macht tot een belangrijke instelling die uiteenlopende belangen vertegenwoordigt, te midden van de opkomst van arbeiderspartijen en de verspreiding van sociale solidariteit.
Het feit dat arbeiderspartijen kort na de oprichting van de Derde Republiek (1875-1940) in het parlement terechtkwamen en invloed verwierven, is een fascinerend onderwerp binnen de Franse politieke geschiedenis. Deze partijen, gevormd op basis van machtige vakbonden, kozen voor een parlementaire aanpak, maar behielden tegelijkertijd een revolutionair karakter dat het republikeinse systeem wilde overstijgen. Door actief de eisen van de arbeiderspartij – die de potentie had om uit te groeien tot de machtigste politieke kracht – te omarmen, ging de Derde Republiek de dubbele uitdaging aan om het systeem te stabiliseren door deze eisen in haar agenda op te nemen. De uitvoering van deze taak bracht echter aanzienlijke veranderingen teweeg in het principe van de scheiding der machten tussen wetgevende en uitvoerende macht, evenals in de rol van de staat.
Bovenal zorgde de opkomst van de arbeiderspartij voor een scheur in het concept van de agenda dat door de bestaande parlementaire democratie als vanzelfsprekend werd beschouwd. Er ontstond een nieuw debat, niet alleen over het algemeen belang – waarbij gelijke burgers één stem uitbrachten – maar ook over de definitie en het begrip van de specifieke belangen van bepaalde groepen. Naarmate de behoefte ontstond om niet alleen individuen, maar ook beroepsgroepen en vakbonden als vertegenwoordigende eenheden aan te wijzen, begon de absolute status van de wetgevende macht – die gelijke individuen vertegenwoordigde – te verschuiven. In plaats daarvan breidde de uitvoerende macht haar rol en bevoegdheden uit door de functie van vertegenwoordiger van diverse belangen op zich te nemen. Zo werd in 1890 een Arbeidscomité, bestaande uit vertegenwoordigers van de arbeiders, binnen de regering opgericht, en in 1906 werd dit comité gereorganiseerd tot het Ministerie van Arbeid.
Door diverse adviescommissies op te richten, gebaseerd op de expertise en ervaring die in gespecialiseerde vakgebieden was opgebouwd, verzekerde de uitvoerende macht haar legitimiteit als representatief orgaan. Bovendien vervulde de uitvoerende macht, door haar agenda te herdefiniëren en actief rekening te houden met de uiteenlopende belangen van de samenleving, een representatieve functie die vrijwel elke sector van de samenleving omvatte. Daarmee creëerde de staat een imago van zichzelf als een entiteit die actief in dialoog treedt met de samenleving. De Derde Republiek richtte maar liefst 78 commissies op, waarvan de Nationale Economische Commissie, opgericht in 1916, het hoogtepunt vormde. Deze commissie vestigde een representatief systeem, verdeeld in 37 beroepsgroepen, die de nationale economische activiteiten getrouw vertegenwoordigden. Door middel van specialistische expertise en institutionele mechanismen identificeerde de staat de uiteenlopende specifieke belangen van de samenleving, coördineerde en communiceerde deze om het algemeen belang te vormen, en vestigde zich zo als de entiteit die de legitimiteit van haar macht veiligstelde door de vorming van dat algemeen belang.
De opkomst van arbeiderspartijen had ondertussen ook een diepgaande invloed op de vorming en versterking van sociale solidariteit. In de beginjaren van de Derde Republiek beperkte de regering zich tot het optreden als een eerlijke bemiddelaar tussen werknemers en werkgevers, en greep zij slechts in op minimale gebieden, zoals het garanderen van de vrijheid om beroepsverenigingen op te richten, het uitbreiden van het onderwijs en de bescherming van de allerarmsten. Hierdoor bleven overheidsmaatregelen beperkt tot liefdadigheidssteun aan mensen die niet in staat waren zichzelf te onderhouden. Naarmate de arbeiderspartij echter politiek sterker werd, begon de staat het solidarisme – een filosofie gericht op sociale rechtvaardigheid – voor te stellen als een fundamentelere en proactievere oplossing voor sociale problemen. Solidariteit, dat prioriteit geeft aan het waarborgen dat alle individuen de mogelijkheid hebben tot een vrij sociaal contract in plaats van vrije contracten tussen individuen, conceptualiseerde tevens de welvaartsstaat door afstand te nemen van zowel het economisch liberalisme als het marxisme. Een treffend voorbeeld hiervan is het werkloosheidsverzekeringsstelsel dat in 1914 werd ingevoerd. De staat bedacht de begrippen werkloosheid en werklozen, erkende ze als sociale realiteiten die voortkwamen uit maatschappelijke oorzaken in plaats van individuele onbekwaamheid of luiheid, en begon ze systematisch te beheren. Hoewel dit welzijnsbeleid duidelijk het resultaat was van sociale solidariteit die was bereikt als reactie op de eisen van de arbeiderspartij, gebruikte de staat het tegelijkertijd om de rechten van burgers uit te breiden en de arbeidersklasse in de nationale samenleving te integreren.
De opkomst van arbeiderspartijen, samen met de daaruit voortvloeiende verschuiving in het concept van representatieve democratie en de vorming van sociale solidariteit, creëerde een nieuw kader voor de Franse democratie. Dit duidt op de vorming van een democratische cyclus binnen een uitgebreid representatief systeem, waarin de twee elementen – het veiligstellen van de legitimiteit van de staat als representatieve instelling en de uitbreiding van de rechten van burgers – elkaar wederzijds beïnvloeden. Binnen deze cyclus wisten arbeiderspartijen, die aanvankelijk het democratische systeem hadden verworpen, zich uiteindelijk stabiel binnen het systeem te vestigen.
We mogen echter niet over het hoofd zien dat de rol van de staat in dit proces steeds verder is uitgebreid. De staat ging verder dan alleen het beschermen van individuele vrijheden tegen externe bedreigingen en ontwikkelde zich tot opvoeder en actieve beschermer van burgers, en groeide uit tot een enorme macht die alle aspecten van het leven van burgers beheert. Zelfs de arbeiderspartijen, die zich aanvankelijk fel tegen de staatsmacht hadden verzet, werden in deze enorme machtsstructuur opgenomen en werden zelf machtsinstituten. Deze veranderingen tonen aan dat democratische controle over de staat een nieuwe uitdaging vormt voor de democratie van vandaag.